Poker Termen

Wanneer je gaat pokeren, zal er gebruik gemaakt worden van een bepaald jargon welke de meeste pokerspelers na een tijdje wel goed kennen. Ben je nou nog niet zo bekend met het pokeren en de termen en begrippen die hier bij horen, dan kun je dit overzichtje gebruiken om ze nog eens op te zoeken;

de verschillende pokertermen

  • Add-on: Meer chips die je bij een rebuy toernooi extra kan opkopen
  • All-in: Wanneer iemand al zijn of haar pokerchips inzet
  • Bad Beat: Het gegeven wanneer je een redelijk sterke hand denkt te hebben en toch verliest
  • Bankroll: Je budget voor het pokeren
  • Board: Alle kaarten op de pokertafel
  • Button: De positie van de dealer
  • Buy-in: Voordat je mee kan doen aan een toernooi, is dit het bedrag dat je moet betalen om toegang te krijgen
  • Calling Station: Wanneer iemand zijn handen steeds calls en vrijwel nooit kiest voor fold
  • Catch: Zodra er een draw gemaakt is, meestal flush of straight.
  • Continuation bet: Wanneer je inzet op de flop als je geraist hebt voor de flop.
  • Flop: De eerste drie kaarten op de pokertafel.
  • Freeroll: Wanneer je gratis mee kan spelen bij online poker toernooien.
  • Freeze-out: Een toernooi waarbij je niet meer mee mag spelen na het verliezen van je all-in.
  • Hand: De twee gedeelde kaarten welke alle spelers krijgen en welke de andere spelers niet mogen zien.
  • Heads-up: Een pokerspel waarbij er maar twee spelers zijn.
  • Hole cards: De eerste twee kaarten van een speler, wat ook wel de starters or starthand heet.
  • Kicker: De hoogste kaart van een speler, naast combinaties van andere kaarten.
  • Late Positie: De speler die als laatste kans heeft om te beslissen, rechts van de dealer
  • Losse Speler: Een speller met veel handen.
  • Maniac: Een agressieve speler die veel bluft.
  • Muck: Wanneer een speler zijn hand niet laat zien na het winnen of verliezen.
  • Nuts: Van alle mogelijke combinaties aan de pokertafel is it de hoogst mogelijke.
  • Overkaart: Wanneer een kaart op de pokertafel meer waard is dan je eigen paar.
  • Positie: Waar een speler zit aan de pokertafel, ten opzichte van de dealer. De speler zit vroeg, midden of laat in de positie.
  • Pot Odds: De kansen om te winnen berekend met hoeveel het kost om te winnen en hoeveel er nog in de pot zit om mee te spelen.
  • Shorthanded: Minder dan zes spelers aan de pokertafel.
  • Showdown: Wanneer je de kaarten laat zien na de laatste bet en call op de river. Hierbij wordt gekeken wie vervolgens de beste hand heeft.
  • Read: Proberen de andere spelers te ‘lezen’, oftewel informatie proberen te verzamelen over hun mogelijke hand of strategie door goed te observeren.
  • Slow Play: Wanneer een speler een goede hand niet bet of raist zodat andere spelers verdere bets zullen maken.
  • Split pot: De pot verdelen tussen twee of meer spelers wanneer hun handen gelijk zijn.
  • Stelen: Wanneer een speler raist wanneer ze verwachten dat andere spelers gaan folden, meestal bluff.
  • Swing: Het verschil op je bankroll door het winnen of verliezen van een spel
  • Tight: Wanneer een speler bijna alleen inzetten doet wanneer hij of zij een goede hand heeft
  • Turn: De vierde gedeelde kaart die iedere speler krijgt.
  • Under the gun: De eerste speler die aan de beurt is bij de inzet, zit links.
  • Vroege positie: Wanneer een speler aan een volle tafel links van de dealer op plaats 1 tot 3 zit en dus vroeg beslissingen moet nemen en daarom geen wachttijd heeft.